Districtsapostel en Apostel

De Districtsapostel en Apostel worden door de Stamapostel resp. in zijn opdracht door een Districtsapostel gewijd, de Districtsapostelhelper ontvangt de opdracht. Wanneer een Apostel in het ambt gezet moet worden, draagt de verantwoordelijke Districtsapostel de betreffende ambtsdrager voor aan de Stamapostel, die de overige Districtsapostelen daarvan in kennis stelt. De Districtsapostelen kunnen de Apostelen uit hun werkgebied informeren. In het geval dat een Districtsapostel geen geschikte ambtsbroeder voor het apostelambt kan voordragen, stelt de Stamapostel zich met andere Districtsapostelen in verbinding om een geschikte ambtsbroeder uit hun werkgebied te beroepen.

Voordat de wijding tot Apostel plaatsvindt, leggen de Apostelen de volgende gelofte af: “Voor God, de Vader, Zijn Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest beloof ik om God, de Schepper van alle dingen, van ganser harte, met mijn gehele ziel en ganse gemoed en met alle krachten lief te hebben en mijn naaste als mijzelf. Het is voor mij een heilige plicht om de leer van Jezus, in het bijzonder de verlossende kracht van Zijn offer en Zijn wederkomst, te verkondigen en met de gave van de Heilige Geest de in de naam van Jezus ontvangen opdracht waarachtig, zorgvuldig, gewetensvol en rechtvaardig te vervullen. Ik wil in deemoed dienen en mij waardig en eerbaar tegenover God en de mensen gedragen. Ik erken de Stamapostel als de hoogste geestelijke en verzeker hem van mijn volle ondersteuning. Ik belijd de eenheid met de Stamapostel en de met hem verbonden Districtsapostelen en Apostelen van de Nieuw-Apostolische Kerk, wier hoogste plicht geloofsgehoorzaamheid, wier hoogste eer de trouw tot het werk van God en wier hoogste doel de voleinding in Christus is. Als besturend ambt van de Nieuw-Apostolische Kerk wil ik voor deze belijdenis altijd ondubbelzinnig instaan en overeenkomstig het evangelie als Apostel van de Nieuw-Apostolische Kerk leven.”

De actieve werkzaamheid van Districtsapostelen, Districtsapostelhelpers en Apostelen eindigt in de regel met het in de rust treden, dat volgt op het bereiken van het 65e levensjaar. Indien daartoe belangrijke gronden aanwezig zijn kan de Stamapostel de diensttijd verkorten (b.v. bij ziekte), maar ook verlengen. De statuten voorzien ook in de mogelijkheid om het ambt neer te leggen evenals schorsing en ontslag. Indien gewenst dient elke Apostel over zijn ambtsuitoefening informatie te verschaffen en rekenschap af te leggen aan de Stamapostel.