Geschiedenis

Vanaf de 18de eeuw kwamen er in de loop van de tijd steeds meer theologen en gelovige christenen tot de overtuiging dat het in de christelijke kerken, in vergelijking met de tijd van het oorspronkelijke christendom, ontbrak aan de gave en levende werkzaamheid van de Heilige Geest. Omstreeks het jaar 1830 ontstonden er in Engeland en Schotland opwekkingsbewegingen, die – ondersteund door profetieën en genezing van zieken – baden om een wederuitstorting van de Heilige Geest.

Van links naar rechts: Henry Drummond, John Tudor, Henry King-Church, Henry Dalton, Francis Sitwell, William Dow, Thomas Carlyle, Francis Woodhouse (achter), John Cardale (vooraan), Spencer Perceval, en Nicholas Armstrong. Duncan Mackenzie ontbreekt.

In de loop van de jaren ontwikkelde zich uit deze gebeds- en bijbelkringen een “apostolische” beweging, die later de Katholiek-Apostolische Gemeente werd genoemd. Haar kenmerk was, dat zij vanaf 1832, net als voorheen geleid werd door apostelen die door profeten werden benoemd, en dat zij de werkzaamheid van de Heilige Geest als middelpunt van het kerkelijke leven plaatste. De Katholiek-Apostolische Gemeente probeerde het gehele christendom onder de geestelijke leiding van de nieuw beroepen apostelen te verenigen. Voor dit doel wendden de apostelen zich in 1837 tot de toenmalige geestelijke en wereldlijke leiders met een document, “Testimonium” genoemd. Echter hun inspanningen stootten in zijn algemeenheid op een weinig positieve weerklank. Daarom zag de Katholiek-Apostolische Gemeente zich gedwongen om, parallel aan haar oecumenische inspanningen, een eigen kerkstructuur met definities van ambten en een eigen liturgie te ontwikkelen.

Op grond van meningsverschillen over enkele uitleggingen van de Heilige Schrift en het beroepen van nieuwe apostelen kwam het in 1863 in Hamburg tot een kerkscheuring, waaruit de destijds zogeheten Algemeen christelijk apostolische Missie ontstond. Deze afsplitsing is het begin van de Nieuw-Apostolische Kerk.

Instelling van het ambt van Stamapostel

In 1897 werd op Pinksteren het ambt van Stamapostel ingesteld, d.w.z. één leider over alle gemeenten.

Als Stamapostel in de Nieuw-Apostolische Kerk dienden sindsdien:

  • Friedrich Krebs (1897 – 1905)
  • Hermann Niehaus (1905 – 1930)
  • Johann Gottfried Bischoff (1930 – 1960)
  • Walter Schmidt (1960 – 1975)
  • Ernst Streckeisen (1975 – 1978)
  • Hans Urwyler (1978 – 1988)
  • Richard Fehr (1988 – 2005)
  • Wilhelm Leber (sinds 2005)

Stamapostel Hermann Niehaus stelde in het jaar 1917 een wijziging in met betrekking tot de liturgie van het Heilig Avondmaal. Tot die tijd werd het Heilig Avondmaal gevierd met brood en wijn, maar sinds 1917 wordt bij de viering van het Avondmaal een hostie gebruikt, waaraan al tijdens de productie drie druppels wijn zijn toegevoegd.

Met Kerstmis 1951 verkondigde Stamapostel Johann Gottfried Bischoff dat Jezus Christus tijdens zijn leven zou wederkomen. Deze verkondiging is binnen de kerk als het begrip “Boodschap” bekend geworden. De Stamapostel baseerde dit op een rechtstreekse, persoonlijke openbaring. Daarmee verkreeg zij een bijzondere autoriteit en verplichting.

Wereldwijde groei

Stamapostel Walter Schmidt bespoedigde de wereldwijde groei van de kerk. Had de Nieuw-Apostolische Kerk, maatschappelijk gezien, lange tijd op de achtergrond een stil, teruggetrokken bestaan geleid, met de Zwitserse Stamapostelen Ernst Streckeisen, Hans Urwyler en Richard Fehr werd de kerk steeds opener, met het doel, als integraal bestanddeel van de maatschappij actief deel te nemen aan het openbare leven.

De razendsnelle wereldwijde groei van de kerk heeft als gevolg dat de integratie van een groot aantal verschillende culturen en tradities in een eenvormige geloofsleer belangrijke uitdagingen in deze 21e eeuw zijn. Centraal bestanddeel van de nieuw-apostolische leer blijft de verwachting van de wederkomst van de Zoon van God, Jezus Christus.