Woord van de maand

Waaraan hangt ùw hart?

September 2005

We leven in een tijd van veel aanbod, ook op geestelijk terrein. En het is een teken van de tijd, dat velen geen honger meer hebben naar Gods woord. Daarmee worden niet alleen degenen bedoeld die niet tot het werk van God behoren, maar helaas ook menigeen uit de rijen van Gods kinderen. Hier en daar moet worden vastgesteld, dat het altaar voor deze of gene niet meer de belangrijkste plaats inneemt tussen hemel en aarde, niet meer de plaats van verzoening met God, de ontmoetingsplaats met onze lieven aan gene zijde is, de plek, waar het woord des levens vloeit en nieuwe krachten worden afgedragen.

Men gaat weliswaar nog naar de dienst, maar het hart is vol van andere dingen, daarin is geen ruimte meer voor Gods woord. Het dringt niet meer zo diep door, het heeft geen uitwerking meer, maar het gaat langs hen heen, zoals bij een vat, dat tot de rand toe vol zit met water. En wanneer Gods woord niet meer opgenomen wordt, dan kan men niet zien hoe God werkt, zorgt en handelt, men wordt "vleugellam". Daarom moeten wij ervoor zorgen dat ons hart in staat blijft om Gods woord op te nemen.

Wij moeten ons eigenlijk voor iedere dienst een ogenblikje rust gunnen om ons innerlijk te concentreren en vrede te vinden tegenover de onrust van alledag. Dat lukt niet, wanner wij tot kort voor de dienst de krant lezen, ons in een boek verdiepen of een televisieprogramma zien en dan, als een bliksemschicht naar de kerk vliegen, en dan denken in zo'n toestand Gods woord te kunnen opnemen. Daar is innerlijke bezinning voor nodig.

In de Openbaring wordt tegen de gemeente Laodicea gezegd: "Want gij zegt: ik ben rijk, en verrijkt, en behoef niets!" Een toestand, waarbij het hart vol is en alles wat er bij gegeven wordt, er langs heen gaat! Daar kan Gods woord niet meer opgenomen worden, en blijft het derhalve zonder uitwerking. Daarom de vermaning: "...en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk, arm, blind en naakt." (Openbaring 3:17-18).

Laodicea was in de oudheid een bloeiende handelsstad met veel banken, beroemde oogartsen en handelaren in kledingstoffen. Zonder twijfel hadden het goud, de stoffen en de geneesmiddelen hun waarde; de mensen moesten in hun levensonderhoud voorzien, zich kleden en laten genezen. Maar het hart mocht niet geheel en al vervuld zijn van die aardse zaken, maar zou ruimte gehad moeten hebben voor het aanbod van God. Daarom sprak de Heer: "Ik raad u dat gij goud van Mij koopt, dat met vuur doorlouterd is, opdat gij rijk wordt; en witte klederen, opdat ge u kleedt ... en ogenzalf om uw ogen te zalven, opdat gij zien moogt."

Het is niet verboden om in het aardse leven goederen en bezittingen te hebben; armoede maakt niet zalig en rijkdom verdoemt niet. Maar het is hoogst ongezond en verderfelijk voor de ziel, wanneer het hart eraan hangt. Laten we daarom voorzichtig zijn met wat onze ziel vervult. Laten we ruimte maken voor Gods woord en genade. Dàn zijn we waarachtig rijk!

(Uit een dienst van Stamapostel Fehr)