Woord van de maand

Licht en leven

Augustus 1998

Licht en leven zijn onscheidbaar met elkaar verbonden. Beide hebben hun oorsprong in God. Nadat God de aarde uit de oertoestand had gelicht, sprak de eeuwige Schepper: "Er worde licht" (Genesis 1:3). Daarmee begon de schepping, het hoogtepunt was de schepping van de mens.

Reeds de psalmdichter wist: "Want bij u is de bron des levens, en in uw licht zien wij het licht." (Psalm 36:10). In het evangelie van Johannes kunnen wij van de Zoon Gods en het woord dat vlees geworden is lezen: "In hem was het leven, en het leven was het licht der mensen." (Johannes 1:4). Weer worden licht en leven samen genoemd. Toen de zoon van God op aarde met Zijn werk begon, zei Hij van zichzelf: "Ik ben het licht der wereld: wie mij volgt, zal niet in de duisternis wandelen, maar het licht des levens hebben." (Johannes 8:12). Met de menswording van Jezus Christus, als het licht der wereld, begon een nieuwe periode in het verlossingsplan voor de mensheid. Aan het einde hiervan begint het eeuwige leven bij de Vader voor allen, die dan het geestelijk leven bezitten, dat met de wedergeboorte uit water en geest in hen werd neergelegd.

Wie in het licht van God wandelt, gaat het eeuwige leven tegemoet en ziet het "licht in het licht".

Ik wil drie soorten licht noemen, die ons beschijnen op de geloofsweg: het licht van het woord Gods en de brandende fakkel van het evangelie, het licht van de leraren en knechten van God als sterren aan de hemel, alsmede het licht van de kennis van het heilsplan Gods als een vuur, dat van de Heer uitgaat om op aarde te werken en te voleindigen.

Is het niet wonderbaar, wanneer door het woord Gods geloof wordt geschapen, wanneer uit het geloof gerechtigheid ontstaat, die voor God geldt, wanneer in deze gerechtigheid licht en leven openbaar komt. Woord en evangelie zullen als fakkels op donkere paden lichten; geen windstoot kan ze uitblazen.

Wij zien de boden van Christus zoals reeds de profeet Daniël zei: "De leraren nu zullen lichten als des hemels glans en die velen tot gerechtigheid geleid hebben als de sterren altoos en eeuwiglijk." (Daniël 12:3). Zoals destijds de ster boven Betlehem de wijzen uit het morgenland voorspelde: "Er is een nieuwe koning geboren", zo zegt heden de ster, het licht van de leraren in het werk Gods: "De Koning aller koningen, Jezus Christus komt; Hij wil Zijn rijk vestigen en Zijn werk voleindigen."

Tenslotte is de kennis van het heilsplan Gods gelijk een vuur. De Heer Jezus zei met betrekking tot Zijn opdracht: "Ik ben gekomen om een vuur te ontsteken op de aarde; wat wilde ik liever dan dat het alreeds brandde!" (Lukas 12:49). Met Pinksteren werd dit vuur, dat Hij gebracht had, voor de eerste keer in een bredere kring ontstoken. Wat destijds is begonnen, wordt heden voortgezet.

Met hartelijke groeten,<br/> UwRichard Fehr