Woord van de maand

Op God hopen

Mei 2014

In de psalmen staan vaak woorden die ervan getuigen dat het de psalmist niet goed gaat. Hij heeft grote zorgen, hij is bedroefd en spreekt tot God: „Waarom hebt U mij vergeten? Waarom moet ik zo verdrietig zijn?“ Dagelijks zouden zijn vijanden smalend tegen hem zeggen: „Waar is nu jouw God?“ De psalmist geeft echter zelf het antwoord: „Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt.” (Psalmen 42: 10-12).

Ik weet dat vele gelovige broeders en zusters dergelijke omstandigheden moeten doormaken. Het gaat hen niet goed, ze hebben met onrechtvaardigheid te maken, ze worden zwaar beproefd, ervaren leed en ziekte. Op zulke momenten kunnen wij ons de vraag stellen: „Lieve God, waarom hebt U mij eigenlijk vergeten. Wat heb ik verkeerd gedaan. Waar bent u?“ De mensen om ons heen, misschien wel uit enge kring, kunnen ook zeggen: „Waar is dan jouw God? Wat heb je eraan?“ De geest van God geeft ons het antwoord: „Op God hopen.“

Hopen op God houdt in: het geloof behouden dat God zal helpen. Ondanks alles wat wij ervaren, wat wij meemaken, wat wij kunnen zien: wij blijven vast in het geloof. God zal helpen. Dat is hopen op God.

De Heer Jezus heeft soortgelijke situaties moeten doorleven, Hij heeft aan Zijn jongeren Zijn dood aan het kruis aangekondigd en uitgelegd wat er dan zou gebeuren. Het wordt Hem als mens steeds meer duidelijk wat er op Hem afkomt. Want hij is tegelijkertijd mens en God. Hij sprak: „ Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist gekomen. Laat nu zien hoe groot Uw naam is, Vader.“ Daarin bespeurt men de gehele last die op dit moment op Jezus lag. Toen kwam er een stem vanuit de hemel: „Ik heb mijn grootheid getoond en ik zal mijn grootheid weer tonen.“ (uit Johannes 12:27-28).

Wanneer wij diep bedroefd zijn door de vele moeilijkheden, de ongerechtigheid, het leed, de pijn, alles wat wij moeten doormaken, dan is onze eerste gedachte: Heer, help mij dan. Wanneer deze hulp uitblijft, dan zijn wij nog meer bedroefd. Dan komt de vraag op: wat moet ik daarop zeggen? De Heer Jezus heeft Zich op dat moment op Zijn doel geconcentreerd: Voor dit ben Ik op aarde gekomen.

Ook in onze diepste nood moeten wij ons zelf steeds weer de vraag stellen: wat is mijn doel? Wat wil ik? Wat is mijn taak? Waarvoor ben ik een kind van God? Dan komt het antwoord: Ik wil naar de Vader. Ik wil in de eeuwige gemeenschap met God ingaan – daarvoor ben ik hier. Waarvoor ben ik christen? Om een getuigenis te brengen, om de gehele wereld te laten zien en te bewijzen dat ik ook in deze situatie de Heer trouw wil blijven en Hem wil navolgen. Dat is het wezen, zin en doel van ons christen-zijn: ook in de moeilijkste omstandigheden de Vader gehoorzaam te blijven, Hem te volgen en ons op ons doel concentreren: „Ik wil naar huis, ik wil naar de Vader, ik wil in de eeuwige gemeenschap met de Heer Jezus zijn.“

(Uit een kerkdienst van de stamapostel)