Woord van de maand

Geen zilver, geen goud – maar vrijheid!

Juni 2007

Ik las in de Heilige Schrift een mooie gebeurtenis uit de tijd van de Heer Jezus: een jongen had een ernstige ziekte. Toen de Heer in die omgeving kwam, haalde de vader zijn zoon en toen ze dichter bij Jezus kwamen, viel de jongen op de grond en rolde heen en weer. Door Jezus’ helende machtwoord bleef de jongen bewegingloos liggen, zodat de omstanders meenden dat hij dood was. Daarop pakte Jezus hem bij de hand om hem overeind te helpen en hij stond op. (Markus 9 :14-29).

Menigeen ligt, geestelijk gezien,  als dood op de grond, heeft geen geloofskracht, geen vrede in het hart, geen vreugde, is zonder hoop en voelt zich gebonden omdat hij iets verkeerds gedaan heeft. En dan komt de Heer met zijn aanbod, wil ons bij de hand nemen en oprichten.

Als wij ons door de Heer laten oprichten, dan ontvangen we kracht en nieuwe moed; vrede en vreugde kunnen de ziel binnentrekken. Met deze kracht en de daaraan verbonden gevolgen willen wij verder gaan, zoals deze jongen zijns weegs ging, nadat hij door de Heer opgericht was. Dat kan in elke dienst plaatsvinden: wanneer wij terneergeslagen zijn en op de grond liggen en misschien niet meer weten hoe het verder moet – de Heer komt en reikt ons de hand; Hij zou ons graag weer oprichten.

Maar dit woord heeft nog een diepere betekenis: in de wereld aan gene zijde zijn er velen die – figuurlijk gesproken – als doden terneer liggen. Zij hebben geen kracht, geen geloof, geen hoop, geen vrede, geen vreugde. Misschien worden zij gebonden gehouden door de geesten, die zij gediend hebben. Laten we ook aan hen in geloof onze hand reiken, laten wij hen toch bij de hand nemen, zodat zij zich kunnen oprichten. Wij willen ons toch voor al diegenen inzetten, die naar gene zijde gegaan zijn: voor allen uit onze omgeving, voor allen die bij ongelukken om het leven kwamen, voor onze voorvaderen. Zij allen moeten kracht krijgen om te worden geleid naar het altaar, waar zij de sacramenten kunnen ontvangen.

Eens kwamen de Apostelen Petrus en Johannes bij de deur van de tempel, toen daar een verlamde man zat te wachten tot ook zij hem een aalmoes zouden geven. Apostel Petrus keek hem aan en zei: “Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik heb geef ik u …” (Luth.vert.1907). In Jezus’ naam genas hij hem, greep hem bij de hand en richtte hem op. En de lamme kon weer lopen. (Handelingen 3 :1-8).

Ook wij willen zulke geestelijk verlamden, die zonder hulp in de wereld aan gene zijde zijn, tegemoet komen en tegen hen zeggen: ‘Het aardse leven is voor u voorbij; wat verkeerd geweest is, kunnen wij niet ongedaan maken, het blijft verkeerd. Maar wij zouden graag willen, dat u weggevoerd wordt uit het rijk, waar u tot nu toe verblijft. En daarom geven wij u, wat wij hebben: een medelijdend hart! En wij hebben geloofskracht. Zo kan het wonder geschieden, dat u zich kunt laten oprichten en bevrijd kunt worden van het lijden van uw ziel.

Vanzelfsprekend kunnen wij u dat niet uit eigen vermogen geven, zelfs als wij vol medelijden en sterk in het geloof zijn; de kracht van de Heer moet daarachter staan’. Dan is elk gebed, alsof wij zulke armen de hand reiken. En dan kan er opgebeurd worden, kan men verder gaan en behoeft er niemand terneer gebogen te blijven.

(Uit een dienst van de Stamapostel)

Woord van de maand

Christus maakt vrij!

(Januari 2020) Geliefde broeders en zusters, Hopelijk kunt u terugkijken op een goed jaar! Het is mijn wens dat u... [meer...]