Woord van de maand

Aarzel niet!

Juli 2006

De Heilige Schrift bericht over de redding van Lot uit Sodom. Sodom was vanwege zijn zondigheid overeenkomstig Gods wil voorbestemd voor de ondergang. Twee engelen kwamen bij Lot en spoorden hem aan om de stad uit te vluchten. Lot moet in deze beide mannen boodschappers van God gezien hebben. Men kan uit de samenhang afleiden dat hij geloof hechtte aan hun boodschap en zeer wel inzag, dat deze stad verwoest zou worden. Hij heeft nog geprobeerd om er sommigen in zijn omgeving op te wijzen en gezegd: “Vlug, weg uit deze stad, want de Heer gaat haar verwoesten.” Maar zij sloegen er geen acht op. Er staat: “Maar zijn schoonzoons namen hem niet serieus.” De engelen, Gods boodschappers, zetten aan tot spoed en spoorden Lot aan: “Vlug, ga hier weg … anders komt u om en wordt u het slachtoffer van de misdrijven die in deze stad zijn begaan.” Dan staat er verder: “ Toen Lot aarzelde, grepen de mannen hem en zijn vrouw en zijn twee dochters bij de hand, omdat de Heer hem wilde sparen, en ze trokken hem mee de stad uit. Pas buiten de stad bleven ze staan.” Zo heeft de Heer door de engelen een handje geholpen, opdat Lot en de zijnen konden ontkomen aan het verderf (vgl. Genesis 19:14-16 en Genesis 22:3).

“Toen Lot aarzelde” – een typisch menselijke houding. Waarom aarzelde Lot? Hij was er toch duidelijk van overtuigd geweest, dat de engelen de waarheid spraken en het verderf daadwerkelijk zou komen. Desondanks kreeg het menselijke de overhand: hij aarzelde! – Wanneer het ernst wordt, is men geneigd om terug te deinzen, af te wachten of er misschien toch nog een mogelijkheid tot uitstel is. Het woord “aarzelen” komt niet vaak voor in de Heilige Schrift, maar in deze situatie betekent het heel treffend de menselijke handelwijze.

Wanneer men iets kwaads beseft heeft – niet anders dan ontstaan door omstandigheden waar God geen behagen in schept: door traagheid of oppervlakkigheid, ongeloof, onvrede, onverzoenlijkheid, dan zegeviert menigmaal het menselijke: men aarzelt te lang.

Ik roep allen op: aarzel toch niet! Grijp de handen van Gods boodschappers in deze tijd, die van de knechten van de Heer; door hen openbaart God zich vandaag – door hun woord, door de verzorging van de ziel. Wij behoeven maar aan te pakken, het wordt in onze handen gelegd. Wij moeten de bereidheid tonen om ons te laten leiden en voor wat betreft hetgeen het heil van de ziel dient, niets op de lange baan te schuiven; niet denken dat we het misschien nog een beetje kunnen uitstellen. – Dat is weliswaar menselijk maar een goddelijke handelwijze is, dat men datgene wat men ingezien heeft, in de praktijk omzet en ernaar handelt en niet eerst aarzelt.

Abraham aarzelde niet. Toen hij de oproep ontving om zijn zoon te offeren, de zoon van de belofte, had hij menselijk gezien kunnen aarzelen. Want het was tegen alle redelijkheid in dat Isaak geofferd moest worden. Welke bedoeling zou daarachter zitten? Maar er staat heel duidelijk in de Heilige Schrift dat Abraham de volgende dag vroeg opstond en zonder bedenken deed, wat de Heer van hem verwachtte. Pas op het allerlaatste ogenblik greep een engel van de Heer in en verhinderde dat Abraham zijn eigen zoon zou offeren.

Uit het voorbeeld van Abraham wordt het duidelijk niets op de lange baan te schuiven en te denken dat er misschien nog wel eens een gelegenheid komt om … Nee, wij moet vandaag, direct, onmiddellijk handelen – dat is de weg van zegen. Wie weet of er nog wel een gelegenheid komt om te doen wat hij nog wil doen? Als men aarzelt, wanneer men alles uitstelt, kan het te laat zijn.

Laten we daarom wijs en verstandig handelen en onze aardse dagen gebruiken als een periode van genade, als een tijd van de daad! Wij moeten als nieuw-apostolischen, als kinderen van God diegenen zijn, die hetgeen wij horen van Gods Geest, ook in de praktijk brengen. Wij moeten daders van het woord zijn!

(Uit een dienst van de Stamapostel)